Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0316

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600945/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 3 november 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Hulst het wijzigingsplan "Buitengebied-Noord" vastgesteld.


Uitspraak

200600945/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 3 november 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Hulst het wijzigingsplan "Buitengebied-Noord" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 december 2006, kenmerk RMW0512550/122/16, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2006. Bij brief van 4 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2006, heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Voor afloop van het vooronderzoek zijn van appellant, [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, en het college van burgemeester en wethouders van Hulst nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2006, waar [appellant], in persoon, is verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.G.J. van den Bergh, en de gemeenteraad van Hulst, vertegenwoordigd door E. Gerritse-Dekker, ambtenaar van de gemeente. Verweerder is, met bericht, niet verschenen. 2.    Overwegingen Overgangsrecht 2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Standpunt van appellant 2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan, voor zover met dit plan een bouwvlak wordt opgenomen om een op het perceel [locatie] geplaatste vierde sleufsilo te legaliseren. Hij betwijfelt of met het wijzigingsplan de maximaal toegestane te bebouwen oppervlakte van 1,5 hectare op het perceel niet wordt overschreden. Daarnaast heeft hij gewezen op een staande witte silo, die niet op de plankaart is opgenomen. Het plan zal zijn woongenot aantasten, door verstoring van het uitzicht en aantasting van zijn privacy. Hierdoor zal zijn woning in waarde dalen. Verweerder heeft ten onrechte niet gekeken naar alternatieven, die appellant heeft aangedragen.    Appellant stelt verder dat het college van burgemeester en wethouders de termijn voor het reageren op zijn zienswijze heeft overschreden.    Voorts stelt appellant dat verweerder hem ten onrechte, ondanks een verzoek daartoe, niet heeft gehoord. Het bestreden besluit 2.4.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft ingestemd met de weerlegging van de zienswijze van appellant door het college van burgemeester en wethouders. Vaststelling van de feiten 2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.1.    Bij besluit van 12 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hulst aan [partij], ten behoeve van het perceel [locatie], dat is gelegen direct ten zuiden van het perceel van appellant, met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vergunning verleend voor het plaatsen van drie sleufsilo's. Deze vergunning is onherroepelijk. 2.5.2.    [partij] heeft daarna, aan de oostzijde van de drie met deze vergunning geplaatste sleufsilo's, nog een vierde sleufsilo geplaatst. 2.5.3.    Het perceel van [partij] heeft in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied-Noord" de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "landschappelijke en cultuurhistorische waarden (Al)".    Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord" dienen bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de navolgende procedureregels in acht te worden genomen: - het ontwerpbesluit tot wijziging ligt met bijbehorende stukken gedurende 4 weken ter inzage; - de burgemeester maakt deze terinzagelegging tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, alsmede op de gebruikelijke manier bekend; - de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid tot het naar voren brengen van zienswijzen; - gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbesluit kunnen belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen naar voren brengen tegen het ontwerpbesluit.    Ingevolge artikel 10, zevende lid, aanhef en onder d, sub 1, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord", voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak te wijzigen mits de maximale oppervlakte van het bebouwingsvlak per agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan 1,5 hectare indien het een grondgebonden bedrijf betreft. 2.5.4.    Het wijzigingsplan voorziet, voor zover van belang in verband met de vierde sleufsilo, in vergroting van het bestaande bebouwingsvlak aan de oostzijde van de Hengstdijksekerkstraat, waar [partij] een grondgebonden bedrijf, te weten een melkrundveebedrijf, exploiteert. Uit het advies van het team Handhaving van de gemeente Hulst van 17 januari 2005 blijkt dat het bebouwingsvlak ten behoeve van [partij] met het wijzigingsplan wordt vergroot tot 12.378 m². Het oordeel van de Afdeling Formele bezwaren 2.6.    Wat betreft het bezwaar dat het college van burgemeester en wethouders niet tijdig heeft gereageerd op de zienswijze van appellant, oordeelt de Afdeling dat de toe te passen procedureregels in artikel 9 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn opgenomen. Deze regels bevatten geen bepaling, noch een verwijzing naar een bepaling, over een termijn waarbinnen het college van burgemeester en wethouders een beslissing moet nemen op een zienswijze die gericht is tegen een ontwerp-wijzigingsplan.    Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat verweerder hem niet heeft gehoord, overweegt de Afdeling dat er geen wettelijke bepaling valt aan te wijzen die het college van gedeputeerde staten verplicht om alvorens te beslissen omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan, belanghebbenden te horen. In bijzondere omstandigheden kan het echter uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming nodig zijn belanghebbenden die tijdig zienswijzen hebben ingediend te horen. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Materiële bezwaren 2.7.    Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de berekening van de grootte van het bouwvlak niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden noch dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 10, zevende lid, aanhef en onder d, sub 1, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied-Noord".    De staande witte silo, die appellant verplaatst zou willen zien, staat buiten het bouwvlak waarin het wijzigingsplan voorziet. Dit aspect van de bezwaren van appellant kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.    Het bezwaar van appellant dat het wijzigingsplan leidt tot verstoring van het uitzicht en aantasting van zijn privacy, kan dan ook slechts aan de orde komen voor zover het betrekking heeft op het vergroten van het bouwvlak ten behoeve van de vierde sleufsilo. Gelet op de afstand van het woonperceel van appellant tot het bestreden plandeel van, zoals ter zitting nogmaals is gebleken, ongeveer 70 meter, is niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van de sleufsilo tot een zodanig grote verstoring van het uitzicht van appellant leidt dat verweerder op die grond had moeten afzien van verlening van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Van een aantasting van de privacy van appellant als gevolg van de aanwezigheid van deze sleufsilo is voorts niet gebleken. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant betreft bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.    Voorts kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich, mede gezien de beperkte verstoring van het woongenot van appellant die de aanwezigheid van de sleufsilo met zich brengt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. 2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. Proceskosten 2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra    w.g.  Broekman Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 12-528.